Doppelmayr’s account of Graff’s stay at the Labadist community in an attempt to get Maria Sibylla Merian back

An account of Johann Andreas Graff‘s stay in the Labadist community in an attempt to urge his wife Maria Sibylla Merian and her daughters to go back with him to Nürnberg. The account was most likely written by the German mathematician and astronomer Johann Gabriel Doppelmayr. The document, titled Historische Nachricht Von den Nürnbergischen Mathematicis und Künstlern (…), is kept in the library of the Germanisches Nationalmuseum in Nürnberg, signature: Hs 108571.

Transcription by Renate Ell, Frau Ludwig, Katharina Schmidt-Loske and Brigitte Wirth.Johann_Gabriel_Doppelmayr

 

Das Schloß den Bosch benannt, auf welchem sich die Brü

der= und Schwester Gesellschafft der Labbadisten lange Zeit

aufgehalten, lieget an dem Dorff Wiwert, das ungefehr in der

Mitten von folgenden Örthern, als von Schneek, Bolswart, Fra=

necker und Leuwarden, in der Entfernung beÿ zweÿen Meilen

lieget situirrt ist, dahin begabe sich unsere Künstlerin mit

ihrer Mutter N. Morellin und ihren zweÿen Töchtern gegen

A. 1686; Einige Zeit hierauf zoge der Mann J. A. Graf dieser

seiner Frauen nach, in Meÿnung Sie wiederum mit den zweÿen Töch=

tern und der Mutter zurück und nach Hauß zu bringen. Sie kundte

aber von Ihme nicht dazu bewogen werden und dahero war seine Hinrei

Reise vergebens, inzwischen, damit er wieder bald fortgehen

mögte, thate man ihme allen Tort an und dieses unter dem

Schein eines Rechten Gottesdiensts, indeme man nach der Lab

badistischen Principio in allem was dem Fleisch zuwieder, dem

selben wehe thun müsse. So musste demnach der gute Mann wieder

seinen Willen Mauersteine auf einer, hohen Leiter auf einen Heu=

boden hinauf bringen, und allda bauen helffen, dabeÿ er einstens

von der Leiter heruntergefallen und sich wehe gethan. Den Hunden

und Kühen gabe man nichts zu ihrer Unterhaltung, deswegen,

da solche genau beÿ seinem Schlaffzimmer waren, und sie die

ganz Nacht durch pellten und blekten, deswegen auch da man die Heh

nen auf seinem Zimmer knarzend machte, die Nacht üb(e)r

nicht schlaffen kundte. Seiner Schwieger der obbenennten Morel

lin hat man einstens im Bett in der Finstern die Zehen abgeschnitten,

wozu endlich der kalte Brand geschlagen, man simulierte auch allda

im Schloß ein Gespenst um ihn furchtsam und desto eher fortgehend

zu machen, wie er dann auch hernach unverrichteter Sache fortgegangen.

Zum Andenken hat er dieses Schloß abgezeichnet, welchen Riß

zuletzt Herr Chr: Jac. im Hoff besessen.

 

Die ältere Tochter namens Johanna Helena nahme einen der

Handesschafft beflissen in Amsterdam, Johann Herold der hernach mit

selbiger sich des Handelns wegen in Americam nach Surinam be=

geben, die jüngere, namens Dorothea Maria, verheÿrathete sich an

einen, der sich Henrici benennet. (lese die Bel. Zeitung p. 177 An. 1713).

 

Arnold Houbraken biography of Merian in De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen

Arnold Houbraken was a Dutch painter who wrote a collection of biographies of more than 500 Dutch artists, titled  De Groote Schouburgh der Nederlantsche Konstschilders en Schilderessen (The Great Theatre of Netherlandish Painters and Paintresses). It was published in three volumes from 1718 to 1721. The biography of Merian appeared in the third volume. Reproductions of the original pages can be found here on the site of DBNL (Digital Library of Dutch Literature).

Maria Sybille Merian

De bevinding, die na den uitslag van zaken zekerder dan anders besluit, heeft dikwerf doen zien, dat de onbedwinglyke driften, lusten, en neygingen der zwangere vrouwen overgaan tot de vrugt, of die aan ’t schepsel ’t geen zy draagen meedeelen. Dit gezegde zullen wy klaarblykelyk bestempelt zien aan Maria Sybille Merian, dochter van den berugten plaatsnyder Matheus Merian geboren te Frankfoort op den 2 April des jaars 1647. zy van haar elfde jaar af tot de Konst geneigt, helde meer tot het penceel, als tot huisselyke bezigheden over: des tegens haren zin, waarom zy zig genootzaakt was het vuur van hare geneigtheid onder ontveinzinge te dooven ’t geen als haar moester van huis was, des te sterker ontvlamde; zoo dat zy zig ook naderhand haar moeders ongenoegtheid niet bekreunde, om dat zy daar in haar Stiefvader tot een sterken voorspraak had, die haar moeder dikwils erinnerde ’t geen zy voorhenen wel verhaalt had,

houb005groo01ill46

[p. 221] te weten: dat, toen zy van deze dochter zwaarging, zy meer als voorhenen geneigtheid had tot Konst en rariteiten, ja daar zy anders onverschillig in de beschouwinge van dit alles was, zy toen zelfs werk gemaakt hadde van Insecten te behandelen, opgezette vlindertjes, en allerhande soorten van bloede looze diertjes, tot horentjes, schulpen en zeegewassen inkluis, op hun orde in de kabinetladen te schikken, en de afschilderingen met vermaakt te beschouwen: gevolgelyk dat zy d’oorzaak was van haar Dochters aangebore drift. Immers haar aangehuwde Vader Jacob Murel bragt het zoo veer, dat haar geoorloft wierd, haar neyging te mogen opvolgen; daar zy nu reets als gezeit is steelswyze van haar elf jaar af, al begin van gemaakt had, en in dien vroegen tyd zig bedient van het onderwys van Abraham Minjon, haar Stiefvaders Leerling.

De geneigtheid tot de Konst groeide met het aanwassen van de jaren met haar op, en zoo veel te sterker, als de roem van haar Konst vermeerderde.

In den jare 1665, den 16 van Bloeimaand begaf zy zig in den Huwelykenstaat met Johannes Andriesz. Graff, van Noremberg. Dit niet tegenstaande, heeft zy zig naar haren Vader, om dat de naam van Merian meer berugt was, laten noemen. Deze was een goed schilder, inzondehreid ervaren in de Bouwkunde, als te zien is aan die naaukeurige afteekening van St. Pieters Kerk te Rome, door Joan UlrichKraus in koper gebragt, Anno 1696. beslaande negen groote bladen papier.

Dit niet tegenstaande bleef de liefde tot de Konst in haar, zelfs onder het kinderkrygen, en huisselyke zorgen aangroeijen. ’t Was haar niet genoeg, de natuur in opzigt [p. 222] van der zelver menigvuldige diertjes, met hare eygen levendige koleuren op perkament na te bootsen, maar zy kreeg ook een drift om de veranderinge der gedierten, en de wonderbare hervorminge van Rupsen in gevleugelde Uiltjes, Witjes enz. nevens den menigvuldigen verschilligen aart, en wyze van voortkomingen t’ontdekken, als ook het voedsel waar door zy bestaan na te sporten; op dat de menschen door klare beschouwingen dier wonderheden de wonderbare wysheid, en kragt Gods, in de minste schepselen zouden leeren beschouwen, en zien; en op dat de waereld te gereeder hare konstige afteekeningen, en vlytige nasporingen zouden deelagtig worden, nam zy voor dezelve in koper te doen snyden, en nevens, of met byvoegingen van hare naaukeurige agtgevingen in druk uit te geven: gelyk zy dan gevolgelyk het eerste stuk te Noremborg in den jare 1678. onder deze ntytel uitgaf:

Der Rupsen begin, voedsel en wonderbare verandering. Waar in de oorspronk, spys, en gestaltenwisseling: als ook de tyd, plaats, en eygenschappen der Rupsen, Wormen, Kapellen, Uiltjes, Vliegen, en andere diergelyke bloedelooze Beesjes, vertoont worden.

Daar op volgde den jare 1683. het tweede stuk, dat van gelyken aart was.

Deze onderzoekdrift, (om agter de ware hervormings wyze te komen, en de verkeerde wysmakeryen daar omtrent te verydelen) was in haar zoo groot, dat zy bsluit nam (niet schromende de gevaren van de zee) om een reis naar de West-Indien daar om aan te vangen: gelyk zy gevolglyk deed in den jare 1698. en bleef omtrent 2 jaren op Suriname, enkel en alleen om alles wat [p. 223] tot haar oogmerk diende naar ’t leven af te teekenen in den grond na te sporen. Wat nut haar yver aan de weetlustigen gegeven heeft, getuigen de genen, die haar groot werk gezien hebben, ’t geenze daar van heeft uitgegeven in den jare 1705 getitelt,

Metamorphosis Insectorum Surinamensium, of Verandering der Surinaamsche Insecten, Rupsen, Wormen enz.

zynde elk geplaatst op die gewassen, bloemen, vrugten daar zy opgevonden zyn, ook de generatie der Kikvorschen, wonderbare Padden, Hagedissen, Slangen, Spinnen en Mieren worden vertoont en beschreven, alles in America, naar het leven geschildert. Hier van spreken, die ’t werk doorbladert en gelezen hebben, met grooten lof.

Nog verscheiden werkjes van minder beslag heeft zy in druk uitgegeven: daar haar Dochter nog een boekje met vyftig platen (waar van de aftekeningen gereet lagen) heeft toegestaan; want de dood haar levensdraat af knipte op den 13 van Louwmaand 1717.

Wy hebben haar beeltenis, wel waardig de geheugenisse der volgende tyden, geplaatst in de plaat I 21. op welke, als ook haar Konst, en levensgedrag deze volgende vaerzen gemaakt zyn:

[p. 224]

In ’t bootsen van gebloemte en allerhande dieren

Met dunne waterverf, op perkamente blaân:

Zelf ’t geen Natuur ontdekt op veer gelegen kusten;

Waarom zy niet ontzag te steev’nen over Zee,

In ’t dreigende gevaar, en rampen wel te vrêe,

Steeds latende ’t bestier op Godes voorzorg rusten.

Wat gaf haar d’yverzugt, wat haar de nazoeklust?

Zy vond in Konst vermaak, en in bespiegelingen

Der Scheps’len d’oorzaak van het wezen aller dingen.

Haar naam leeft, schoon de dood haar lamp heeft uitgeblust.

Zy heeft twee Dochtes naagelaten, die zy in ’t bloemschilderingen onderwezen heeft, Johanna Helena Herolt Graff, geboren den 10 van Louwmaand 1668. en Dorotea Maria Hendriks Graff, geboren op den 13 van Sprokkelmaand 1678. deze heeft haar moester vergezelschapt op de reis naar Suriname, en is buiten de konstoeffening ook geoffent in de Hebreeuse taal.